Proloog
Op het eerste gezicht leek er niets mis te zijn. Alles was heel normaal: een bushalte
aan de rand van het dorp; waar de provinciale weg een flauwe boog langs het laatste park
beschreef voor het de donkere bossen in verdween. Het was laat op de avond.
Straatlantaarns verspreidden een oranje gloed. Slechts een enkele auto passeerde.
Sebastiaan Kingma stapte opgewekt uit de bus die hem van station
Driebergen-Zeist naar de halte had gebracht. Hij had een goede reden om blij te zijn. In
Doorn zou hij een oude bekende ontmoeten. Met dat aangename vooruitzicht zette hij zijn
zorgen van zich af. Met een zwaai gooide hij de tas op zijn rug zoals hij vroeger deed
toen hij nog aan de medische faculteit studeerde. Hij had het indertijd heerlijk gevonden
om zich voor te doen als een stoere bink. Nu had hij fysiek vertoon niet meer nodig om
indruk op anderen te maken, dat deden zijn vak en zijn positie binnen de gemeenschap wel.
De deuren klapten achter hem dicht en de bus trok daarna met veel geronk en rook op.
Sebastiaan was alleen. Nog een kleine wandeling en hij was op zijn bestemming.
Dat er wél iets aan de hand was, bleek al snel.
Verrast keek hij op toen hij geritsel hoorde. Precies achter de halte
bevond zich een verwilderde tuin. Hij had hem al eens bij daglicht gezien. Het was de
voormalige overtuin van een villa die aan de andere kant van de provinciale weg had
gestaan. Villa "Boschoord". Het huis was eind jaren tachtig afgebroken en alleen
de voormalige overtuin herinnerde aan het verleden, hoe verwaarloosd hij ook was.
Eigenlijk was dat ontzettend jammer. Als hij, Sebastiaan, dit stukje grond in bezit had,
zou hij de allure van de vroegere tuin doen herleven! Want, als hij geen geneeskunde was
gaan studeren, had hij voor de studie biologie gekozen. De natuur was zijn passie.
Het eerste dat hij zag, was de beweging. In het licht van de
straatlantaarns ontdekte hij een schim. Daarna de bespottelijke gele handschoenen. Het
waren rubberen handschoenen die zijn moeder vroeger bij de afwas gebruikte, omdat haar
gevoelige handen niet tegen het zeepsop bestand waren. Handschoenen en schim kwamen zijn
kant op. Een zaklantaarn floepte aan, vastgehouden door de ene handschoen, terwijl de
andere hem wenkte.
Toen herkende hij de man.
Zonder zich te bedenken stapte Sebastiaan Kingma over het lage,
smeedijzeren hekwerk. Zijn schoenen werden omringd door varens met hun ontrollende
bladeren. Het was voorjaar. Dankzij recente regen schoot alles nu uit de vochtige bosgrond
op. Als het niet zo donker was, zou hij zich gebukt hebben om te kijken welke soorten hier
groeiden. In zon verwaarloosde tuin hadden planten vrij spel. Misschien dat hij er
zeldzame soorten zou aantreffen.
Wat doe jij hier?
Ssst!, siste de man.We zijn op privé-terrein.
Wat doe jij hier dan?
Dat zou ik jou ook kunnen vragen. Moet je niet in Rhenen
zijn?
Morgen.
Moet je komen kijken. Er is daar beneden een vijvertje. Hij
zwaaide met de zaklamp. Er is daar zonnedauw!
De interesse van Sebastiaan Kingma was gewekt.
Dus daar was de ander mee bezig! Sebastiaan had nooit geweten dat hij
zich ook voor planten interesseerde. Maar hij leek er wel verstand van te hebben. In elk
geval meer dan de gemiddelde Nederlander. Die wist niet eens dat zonnedauw een plantje
was. Een heel bijzonder vleesetend plantje. De wetenschappelijke benaming van de ronde
zonnedauw, die in Nederland voorkwam, was Drosera rotundifolia.
De tuin liep aan drie zijden trechtervormig naar beneden. In de diepte,
overschaduwd door de woekerende rododendronstruiken aan de overzijde, lag het vijvertje.
Maar dit was niet echt de biotoop waar je zon zeldzaam plantje als de zonnedauw
normaal kon verwachten. Sebastiaan wist dat die van voedselarme grond hield. Daarom was
het juist een vleesetende plant, omdat het de benodigde stikstof niet uit de arme grond
kon onttrekken, maar wel uit de vliegjes die hij wist te verstrikken. Of groeide het
plantje hier toch? "Adam & Eva" heette de plek in de volksmond. Een klein
paradijsje was het zeker. Zonnedauw!
Hij liet de ander voorgaan uit angst dat hij zelf in het donker het
kwetsbare plantje zou vertrappen. Het heen en weer zwaaiende zaklamplicht bescheen nog
niets anders dan bosgrond en varens. Tot ze de waterkant bereikten. Het licht flitste even
over de stenen fundering die onder de rododendrons verborgen was. Daarop hadden vroeger
twee beelden gestaan die Azië en Amerika hadden moeten voorstellen. Niet Adam en Eva,
zoals men vroeger in het dorp had gedacht, omdat de beelden naakt waren. Aan die foute
benaming ontleende deze plek zijn bijnaam. De beelden waren in de jaren zeventig
weggehaald nadat de toenmalige eigenaars van "Boschoord" naar Waalwijk waren
verhuisd.
Gebiologeerd tuurde Sebastiaan de waterkant af. Was het mogelijk dat het
vleesetende plantje hier groeide? Waar dan?
De klap viel voordat hij de vraag hardop kon stellen.
Er zat te weinig kracht achter om hem van het bewustzijn te beroven,
maar genoeg om hem uit evenwicht te brengen. Hij viel voorover, het water in. Hij wilde
overeind komen. Het volgende moment voelde hij hoe rubberen vingers zijn hoofd naar
beneden duwden, het water in. De ander wilde hem verdrinken!
Sebastiaan begon onmiddellijk tegen te spartelen. Het viel niet mee. De
ander was sterker dan hij had gedacht. Hij voelde het koude water, de bagger die zijn
neusgaten vulde, het gewicht van de ander en de zware rugtas die hem met hulp van de
zwaartekracht naar beneden drukten. Zijn armen ploegden in het rond, tevergeefs op zoek
naar houvast. Hij bracht alleen het water in beroering. Zijn handen voelden rottend blad,
takken, modder. De vijver van vroeger was dichtgeslibd met blad van de bomen. Wat stom om
te denken dat op deze natuurlijke compost zonnedauw zou gedijen!
Met alle kracht die in hem zat, lukte het hem even zijn hoofd boven
water te krijgen. Hij hapte naar adem. Adem die hij nodig had om te kunnen winnen. Maar
wat hij inhaleerde, was het stinkende gas dat hij uit de diepte van de vijver losgewoeld
had. Dikke bellen moerasgas vulden zijn longen.
Vrijwel meteen verdubbelde de ander zijn krachten en viel Sebastiaan met
zijn hoofd hard in het water terug. Zijn hoofd had iets geraakt. Een boomtak? Weer zocht
hij iets om zich tegen af te zetten. Maar het besef begon nu tot hem door te dringen dat
het een hopeloos verzet was. De ander was aan de winnende hand. De zuurstof in zijn bloed
raakte op. Hij hoorde in zijn oren het bonken van zijn hart. Het begon hem te duizelen.
Zijn spieren verslapten.Nu begon hij in paniek te raken. Hij ging dood. Waarom had hij de
ander vertrouwd? Waarom had hij zich in het donker door zon lulsmoes naar het water
laten lokken? Zonnedauw! Alsof de ander daar verstand van had!
Geleidelijk voelde hij hoe zijn krachten afnamen. Zijn hart bleef bonken
in zijn oren. Tevergeefs pompte zijn hart het bloed door zijn aderen. Er was te weinig
zuurstof. Het was donker, koud, en het gevoel in zijn lichaam begon nu langzaam weg te
vloeien. Een halve minuut later was het afgelopen. |